Wim van Dongen

_DSC1519
Wim van Dongen (1949)

Locatie: Stadspark Mariënburg (voormalige kloostertuin)

“Dit is hartje stad en het heeft heel veel herkenbaarheid voor me; mijn ouderlijk huis ligt hier nog geen honderd meter vandaan in de Vughterstraat. Ik fiets daar nooit voorbij zonder een keer een blik op dat huis te werpen. Ik zie de gordijnen van mijn moeder nog hangen. Hier woonden vrienden van me; ik heb hier op de Bewaarschool gezeten, wat nu het kinderdagverblijf heet. Ik heb op de Cathrienschool gezeten hier dichtbij, die toen nog een jongensschool was, bij frater Ronaldo en Bernardo.

Iedere dag dat ik nu de stad in loop of fiets – vooral in deze hoek – ja, dat is voor mij terug naar mijn eerste levensjaren, mijn schooljaren. De film begint hier weer voor me te draaien.

De binnenstad was onze speeltuin. We voetbalden op een veldje waar nu het kantoor van Ricoh staat. In de Vughterstraat konden we natuurlijk niet spelen, want dat was toen zo ongeveer de A2. Dus staken we de acht spoorlijnen over – daar waar nu de Paleisbrug ligt – en soms werden we door de seinwachter teruggefloten, waardoor we onder het spoor door moesten lopen, om het huidige gebouw van Essent heen, richting West.”

% Feitelijke Bosschenaar: 100%
% Gevoels Bosschenaar: 100%

“Ik heb altijd in de stad gewoond; ben hier nooit weggeweest. Even naar de Maaspoort gegaan toen de kinderen kwamen en daarna zo snel mogelijk weer terug binnen de wallen, binnen het water. En nu woon ik al weer ruim twintig jaar in het centrum. En dan denk je als Bosschenaar veel te weten over de stad, maar eens in de twee jaar komen we met een hele groep bij elkaar vanuit de lagere school en dan doen we bijvoorbeeld een wandeling met een gids en die vertelt je dan dingen waar je gewoon geen enkele weet van hebt. Ik heb een grote liefde voor de stad.

Ik voel me ook honderd procent Bosschenaar. Ik maak me bijvoorbeeld druk over het nieuwe theater. Binnenskamers, hè. Ik ben er niet de persoon naar om dan naar de krant te gaan schrijven of de burgemeester een bericht te sturen van ‘joh, je hebt een verkeerde beslissing genomen’. Maar van mij had het nieuwe theater naar het ziekenhuisterrein gemogen. Ze hadden daar het theater, de Bieb en het stadsarchief kunnen combineren en dat had het gebied meteen een mooie invulling gegeven. En nu is Van Lanschot de stad uit gegaan, het ziekenhuis, de ABN Amro bank, de Rabobank, allemaal kantoren die naar de rand van de stad trekken. Daarmee haal je de levendigheid wel echt uit je stad. De gemeente zelf zit er nog, dat is bijna het enige grote kantoor dat nog in de binnenstad zit en als die nog een keer naar de rand van de stad zouden gaan, dan zou je zomaar weer een paar honderd mensen weghalen uit je centrum. Ik hoop dan ook dat er een hele goede invulling wordt gevonden voor de V&D, zodat er weer nieuw publiek komt.”

Wat is er mooi aan Den Bosch?
“Bijna alles.

Het Bourgondische, alles kan, alles mag. We zijn op papier een stad, maar je hebt zoveel momenten waarop je mensen tegenkomt, bij de kermis, carnaval, bij Jazz in Duketown en noem maar op. Dan ken je driekwart van wie er rondloopt en dan heb je meteen aanspraak, het is een feest van herkenning. Maar ook bij het levenslied bijvoorbeeld, daar ga je naartoe om mensen te ontmoeten, een praatje te maken. Dat dat hier zo goed kan, dat is heel fijn.

Ik vind dat we een prima burgemeester hebben. Hij heeft veel gedaan voor de stad. En hij bewaakt het hockey, is betrokken bij FC Den Bosch en bij het basketball. Hij steekt zijn nek uit voor dergelijke belangrijke clubs.

De stad wordt heel goed schoon gehouden; kort na een evenement is het centrum alweer schoongemaakt.
Ik heb eigenlijk maar weinig aan te merken op de stad.”

Wat is er lelijk?
“Het juridisch loket op de Stationsweg bijvoorbeeld. Dat is echt niet mooi. Maar ja, in de jaren dat dat gebouwd werd, was er nog niemand die zich bekommerde om de historie van de stad. Gelukkig zijn in de jaren zestig/zeventig mensen als Jan van Eerden opgestaan, om het historische karakter van de stad te bewaken en bewaren.

De put vind ik eigenlijk wel prima. Dat valt achteraf niet tegen. Het is net niet het Efteling-gebouw geworden waar ik bang voor was. Dus dat valt mee.”

Wat heeft de stad jou te bieden?
“De gemoedelijkheid. En als je de weg kent, zit je zo bij de juiste persoon op de juiste stoel aan tafel. Hoe ouder je wordt, hoe beter je de mensen leert kennen waar je moet zijn om iets gedaan te krijgen. Het snelle contact maken, ook. En Carnaval. Mensen weer eens tegenkomen uit het verleden. Je hoeft met carnaval geen afspraken te maken met je vrienden of familie; je weet: twee uur zondagmiddag is de helft van de familie op de Markt, of op de Parade of bij de Paternoster. Je loopt het rondje en je komt in alle tenten en je probeert ieder jaar weer nieuwe tenten uit en in iedere kroeg ken je wel een aantal mensen.”

Wat heb jij de stad te bieden?
“Ik heb zelf niet zoveel toegevoegd aan de stad. Wel volg ik dagelijks wat er hier gebeurt, en misschien wel per minuut. Via de krant, via internet; ik probeer daarmee bij te blijven in de ontwikkelingen in de stad. Met familie en kennissen heb ik het er dan wel over, maar verder niet. Die betrokkenheid die blijft nu in de huiskamer. Ik heb ook geen kritiek op mensen die zich over de stad ontfermen. Want als je kritiek hebt, dan moet je ook met goede alternatieven en een gefundeerde mening komen. Ik waardeer vooral dat heel veel mensen dat werk doen, maar ik bemoei me er verder niet mee.”

Is Den Bosch een man of een vrouw?
“Ik denk dat we meer een mannenstad zijn, een stoere robuuste man. De stad wordt bestuurd door mannen, allerlei evenementen worden georganiseerd door mannen, op de rondvaartboten zie je eigenlijk alleen maar mannen varen.

Er zouden bijvoorbeeld bij bedrijven wel meer vrouwelijke directies mogen komen, dat zou wellicht een andere injectie geven aan de stad en aan evenementen.”

Herinnering aan een mooie ontmoeting
“De Stones. 28 maart 1966. In de Brabanthallen. 4.000 mensen en ik was erbij. Mijn kaartje kostte toen tien Gulden. Ik was zestien, zeventien. Dat was mijn eerste grote concert en daar moest je toen bij zijn. Ik weet er niet veel meer van, maar wel dat de muziek enorm hard stond, dat er een enorm rookgordijn hing en dat er een bepaald geurtje hing dat ik toen nog niet kon thuisbrengen. Ik had geen idee wat er gerookt werd, maar later begreep ik dat natuurlijk wel. En ja, de Rolling Stones in je eigen stad, dat was natuurlijk een grote happening.

En Janus Kiep, dat was ook wel een bijzondere verschijning. Daar hadden we als jochies wel schrik van. Als hij zijn vinger uitstak, dan liep je voor hem weg, hoor. Maar hij was er ook altijd bij. Als het circus stad inkwam, dan liep hij vooraan mee; als de Koningin naar Den Bosch kwam, stond hij vooraan. Met de carnaval zag je hem ook veel. Dan gingen we trouwens nog hossen, hè. We hosten onder de Draak door. De Prins inhalen en dan gingen we weer hossend de stad in. Dat kun je je nu niet meer voorstellen.”