Puck Biolek

L_000263
Puck Biolek (1950)
Maar eigenlijk is het Puck of Poldek. Waarom? Gewoon, dat is het geworden, zo noemen de mensen mij.”

Locatie: Brugwachtershuisje van de Antoniebrug (bij Sluis 0).

Waarom staan we hier?
“Het brugwachtershuisje bij de Anthoniebrug ligt het dichtste bij de brug waar ik het langste zat: de Dungense brug. Vanaf hier zie je de stad en tegelijkertijd het water de stad uit lopen.”

% Feitelijke Bosschenaar 75%
% Gevoels Bosschenaar 100%

“Ik kom eigenlijk uit Utrecht, maar ik ben al in 1966 in Den Bosch komen wonen. Mijn vader werkte eerst bij Verolme in Heusden, in de scheepsbouw en later bij de Heineken. Ik heb eigenlijk van alles gedaan: in de schoenfabriek, op de grote vaart, in de bouw, maar mijn plek is altijd Den Bosch gebleven.”

Voor mijn gevoel? Echt wel 100%. Ik wandel veel. Den Bosch is een fijne mooie stad. De stad schreeuwt niet, is niet rommelig zoals andere steden. Er is rust in Den Bosch, het is er nog simpel.” Grijnzend: “Ik ben eigenlijk een hangoudere: ik kom vaak in de middag bij het beeld van Jeroen Bosch op de Markt met andere hangouderen. Niet elke dag hoor, ik wandel ook buiten het centrum, het is hier mooi.”

Waarom ben je brugwachter geworden?
“In 2000 fietste ik naar Santiago de Compostella. Als je zonder doel ergens heen fietst ben je een zwerver, maar op weg naar Santiago ben je ineens een pelgrim. Voordat ik wegging zat ik er doorheen, zoals dat heet, en toen ik terugkwam had ik iets te overbruggen. Toen las ik in het Stadblad ofzo dat er een brugwachter gezocht werd. Dat leek me wel wat. Ik mocht mijn opleiding beginnen op de Orthenbrug. Vanaf daar kon je toen ook al de Kasterensbrug bedienen. Eigenlijk kun je het niet fout doen: het zijn vier stappen: licht op rood, bomen naar beneden, brug open, dubbel groen voor de schipper. En daarna weer terug. Na twee weken ging ik naar de Dungense brug. Dat werd mijn eigen plek. Mijn vrouw bracht me ’s avonds eten en als ik at, bediende mijn zoontje, die was toen 11, soms de brug. Dat was natuurlijk mooi.”

Hoe lang heb je als brugwachter gewerkt?
Uiteindelijk heb ik maar één seizoen op de brug gewerkt. Het was een stoppend gebeuren met de plannen voor het omleggen van de Zuid-Willemsvaart, voor mij was het niet erg, maar ik had collega’s die er heel lang gewerkt hebben, mannen met een pet en strepen. Voor hen was het natuurlijk moeilijker.”

Wat is mooi aan brugwachter zijn?
“Je moet al je schrijfwerk en leeswerk bewaren. Dat moet je niet thuis doen maar meenemen. Het is luxe hè? Een keer of tien per dag de brug bedienen, de rest van de tijd lezen, schrijven, de bloemetjes bij je brug bijhouden, effe kletsen met mensen die langskomen. Er kwam regelmatig een zwerver langs die van Veghel naar Den Bosch ging. Nou ja zwerver, hij had nog wel een huis en was eigenlijk een echte vakman, wist alles van elektriciteit. Ik kende hem van vroeger, maar het ging niet goed met hem in die tijd. We spraken met elkaar bij een bakkie koffie en dan ging hij weer. Later is hij verdronken in de Zuid-Willemsvaart.”

Wat is minder mooi aan brugwachter zijn?
“Je bent een ding, geen persoon voor de mensen die langs de brug komen. Je ziet van alles, maar zij zien jou niet. Dat is ook wel weer mooi: je bent incognito en je kunt alles goed observeren. In de stad kon je precies zien wanneer er iets uitgedeeld werd bij de verslaafdenzorg, dan was het ineens druk over de brug. Maar ook de ambulances moesten toen nog over de brug naar het Groot Ziekengasthuis. Als de brug open moest, was er altijd een mooie strijd tussen de mensen die nog snel met hun fiets of lopend onder de boom doorgingen. Dan liet je de boom zakken, hield hem toch nog even stil zodat niemand hem op zijn hoofd kreeg. Al is dat bij een collega wel eens gebeurd. Voor hen was het zijzelf en dat ding, niet zij en de brugwachter.”

Kun je je nog een bijzonder moment herinneren?
“Ja, ik krijg nog een grijns op mijn gezicht als ik eraan denk: op een middag loste ik mijn collega af en hij vertelde dat hij vanuit Den Bosch in de verte al een schip aan zag komen. Het was niet druk, dus hij had alles alvast voorbereid: stoplichten op rood voor het verkeer, bomen dicht, dubbel groen voor het schip, brug omhoog, allemaal een beetje vroeg, maar zo kan kon het schip lekker doorvaren. Hij las rustig verder in de krant tot het schip er was, maar toen viel hij in slaap. Toen hij wakker werd was het schip al uit het zicht verdwenen en stond er een heuse file voor de brug. Zelf heb ik trouwens ook wel eens een collega naar de Dungense brug laten fietsen omdat het zo mistig was dat ik niet doorhad dat er een boot door de brug wilde. Ik hoorde zelfs zijn hoorn niet. Mijn collega in Den Bosch dacht dat ik er niet was, dat ik me verslapen had.”

Als jij mocht beslissen over een nieuwe bestemming voor de Zuid-Willemsvaart ?
“Ik hoop dat het zijn vaarbestemming houdt, het kanaal, en dat de huisjes blijven. De sluis gaat in ieder geval af en toe nog open, maar dat is niet genoeg.” En met een grote grijns: “Je kunt er wel  een kapsalon bij beginnen. Lekker relaxed, en daarbij beetje schoffelen rond je huisje.”