Eric Alink

L_001046
Eric Alink (1958)

Locatie: Bastion Oranje

“Ik had vrijwel elke stoeptegel of straat kunnen kiezen als geschikte locatie, maar dit is wel één van mijn favoriete plekken; het markeert een grens. Ik hou ervan om de grenzen op te zoeken. Dit is ook de plek waar het beschutte, maar tegelijkertijd ook benauwde van Den Bosch kantelt naar de weidsheid van het onbekende en het is de horizon die me altijd lokt. Oog in oog met de weidsheid. Het schijnt trouwens dat Den Bosch de enige stad in West-Europa is, waar de omwalde stad meteen grenst aan zo’n natuurgebied.
Ik heb heel mijn leven in Den Bosch kunnen blijven (en ik vind hier ook nog steeds mijn geluk) bij gratie van die horizon. Ik reis veel en ik zou stapelgek worden of op Reinier van Arkel eindigen als ik nooit de stad uit zou kunnen. Want ik heb wel mijn ruimte nodig.”

% feitelijke Bosschenaar: 100%
% Gevoels Bosschenaar: 100%

“Ik ben hier geboren en opgegroeid. Ik heb in Tilburg en Utrecht gestudeerd, maar reisde toen altijd op en neer met de trein, met broodtrommeltje en geplette mandarijn. Het kwam niet in me op om op kamers te gaan. Ik verwacht ook dat ik in Den Bosch zal sterven en ik hoop dat ik dan op Orthen zal eindigen. Dat lijkt me een goeie plek. Daar groeien maar liefst tweeëntwintig soorten mossen. Die zijn geïnventariseerd door de werkgroep ‘mossen’ en tussen tweeëntwintig mossen liggen, dat lijkt me qua zacht rusten geen verkeerd vooruitzicht.
Ik voel me ook honderd procent Bosschenaar. Maar met een voetnoot; mijn vader kwam uit Twente. Hij kwam in ’56 naar Den Bosch en begon een drogisterij in de Pieter Breughelstraat. Dus ergens klotst er ook nog een druppel Twents bloed in mij. Dat uit zich in een vage verbondenheid met een streek waar ik nooit kom. Maar toch zit het in me voor mijn gevoel.
Maar honderd procent Bosschenaar toch. Ik weet ook bijna zeker dat ik in Den Bosch ben verwekt, want mijn ouders waagden zich niet buiten de stadswallen, omdat ze wisten dat ze in een kist terug zouden komen. Want voor een Bosschenaar is de stadswal toch een soort psychologische grens; daarbinnen is de beschutting en daarbuiten loeren moord, doodslag en de pest. En de buitenwijken. Dat zit heel diep bij vele – vooral oudere – Bosschenaren. Boschveld bijvoorbeeld; daar kwam je vroeger niet. Dat zit verankerd in een collectief geheugen.”

Wat is er mooi en/of lelijk aan Den Bosch?
“Het laatmiddeleeuwse karakter, het Madurodammige van de stad. Maar in die kracht zit ook weer de zwakte, daar zit ook het benepene in, het vierkante meterige-denken van de gemiddelde Bosschenaar.
Bosschenaren zijn slecht in maatvoering. Of ze zien alles te klein, te benepen en te smal – en dat leidt tot een soort Calimero-gedrag – óf ze trekken een grote broek aan, weten geen maat te houden en worden eigenlijk een karikatuur van zichzelf. Dus maatvoering, dat is iets waar Bosschenaren heel slecht in zijn. En da’s hun kracht en hun valkuil. En dat maakt de Bosschenaar ook wel aandoenlijk. We zijn een aandoenlijk volkje, struikelen zonder maatvoering te kennen. En dat ontroert me ook wel. Den Bosch roept ook mededogen bij me op.”

En lelijk?
“Waar ik een pesthekel aan heb, is de kruideniersmentaliteit in de stad. Meer nemen dan je geeft. Het centenbijterige, het kleine denken. Kleine geesten, daar kan ik slecht tegen. Waar ik ook een hekel aan heb, is de grote bek van Bosschenaren. Bosschenaren kunnen ook lomp en boertig zijn. Ik heb ooit de Korte Putstraat als het maagdarmkanaal genoemd van de stad. Daar vind je ze wel. Die blaaskakerigheid, die is er ook. Wat verder de kracht en de zwakte van Den Bosch is, is de bravigheid. Den Bosch is geen fabrieksstad, je hebt hier geen botsende boven- en onderklasse. Je hebt een hele bravige ‘we breien nog een stukje’-middenklasse. Gewoon gezellig met de koektrommel op tafel. Bravig en gemoedelijk.

Het is een middenklasse-stad; we zijn een bestuursstad, een bisschopsstad, een garnizoensstad, we hebben de rechtspraak, de handel, allemaal middenklasse. Daardoor is het ook een bleke, fletse stad, omdat hij geleerd heeft zich aan regels en wetgeving te houden. We opereren binnen een kleine bandbreedte en wie daar buiten stapt, die valt meteen op.

Allerlei – vaak botsende, maar toch – allerlei functies die de stad interessant maakten, zijn weggehaald; het paleis van justitie, de gevangenis, het slachthuis, de Houthal is weg, politie, brandweer, ziekenhuis zijn er weg. Veel scholen ook. En dat alles maakt een stad tot een levendig organisme. Nu is het alleen nog ‘fusten, feesten en funshoppen’. Alleen de -f is er nog. Vroeger was het een alfabet. Nu vallen ook de grote winkelketens weg. Dus die binnenstad, dat wordt nog een heel ding om dat overeind te houden. Ik ben wel heel blij dat het nieuwe theater in de binnenstad blijft. Als dat zou verdwijnen uit het centrum, dan maak je zo’n stad nog leger.

Den Bosch zou ook echt meer ruimte moeten bieden aan jonge mensen en de stad zou wat vaker uit het gootsteenkastje moeten blijven. Daar bedoel ik mee dat deze stad glimt van de groene zeep; alles is schoon en opgepoetst, maar een rauwrafelige plek is er bijna niet meer. Je hebt het nog enigszins met het terrein van De Heus. Ik ben opgegroeid in een tijd dat de binnenstad half verkrot was, niet dat je dat moet willen, maar dit is ook wel de stad van de duizenddingendoekjes. Het moet wel fris ogen voor het kerkvolk. Zorg er nou voor dat er nog onbestemde plekken zijn. Die worden hier veel weggepolijst. Laat het af en toe maar eens schuren.”

Wat heeft de stad jou te bieden?
“De stad biedt mij beschutting. Ik ben redelijk onveilig opgegroeid en die stad is mij beschutting gaan bieden. Ik zie Den Bosch als één grote huiskamer, ik voel me overal thuis en op mijn gemak. Den Bosch biedt mij ook dat mateloze, wat ik zelf ook heb. Maatvoering is ook niet mijn sterkste kant. En Den Bosch biedt mij grenzeloze inspiratie. Die kan overal vandaan komen. Als ik op een terras ga zitten en ik geef mijn ogen een uur de kost, dan heb ik de zeven hoofdzonden al voorbij zien komen en heb je al een verhaal, bij wijze van spreken.”

Wat heb jij de stad te bieden?
“Ik denk dat ik de stad vooral milde zelfspot en troost bied. Of althans, dat wil ik. Ik wil de stad ook graag een spiegel bieden, en dan liever een spiegel waar een barst in zit, dan dat ie keurig is opgepoetst. Want ik wil Bosschenaren ook laten zien wat de schaduwkanten zijn van onze stad en ons gedrag. Mensen die in de schaduw van de stad leven vind ik interessanter dan mensen die in het zonlicht staan. Die fascinatie komt van huis uit. Wij struikelden ook thuis, en nog.
Ik denk dat mijn grootste kracht zit in gekanteld kijken. Ik kijk altijd net gekanteld, waardoor ik dingen zie, die niet zo snel opvallen. Zo kan bijvoorbeeld één kassabonnetje aan het prikbord genoeg zijn voor een hele kroniek of een sfeerverhaal. Ik hou van onopgemerkte details. Een rafelige tas van de Lidl van iemand, dat kan dan de drager zijn van een compleet verhaal. En dan ga ik altijd op zoek naar het universele. Ik schrijf over Den Bosch, maar wil in mijn verhalen uitstijgen boven het postcodegebied. Ik zoek de herkenbaarheid. Het gaat steeds om het menselijk onvermogen. Die herkenbaarheid en vooral ook de troost, dat is wat ik hoop te bieden te hebben. Ik wil mededogen losmaken.”

Is Den Bosch een man of een vrouw?
“Ik vind Den Bosch meer vrouw. Den Bosch staat voor mij meer voor de moeder; het is een stad die mij beschut. Het is een Maria-stad, met nog steeds een sterke Mariaverering, maar het is ook een stad – ondanks de grofbekkigheid – die in essentie heel weekhartig en zachtmoedig is. Het is geen stoere stad, geen mannelijke stad. Ik vind het vooral een vrouwelijke stad.”

Heb je een herinnering aan een bijzonder moment, of een bijzondere ontmoeting in de stad?
“Dat is de dag waarop mijn zoon is geboren. Hij is geboren in 1998 in het Grootziekengasthuis en op dat moment wist ik, zo gaat het al eeuwen. Met de komst van een kind vergroot jouw eigen sterfelijkheid, maar je weet: het gaat door. Dus dat is ook wel weer een geruststelling. Dus dat was in die zin een ontmoeting met het nieuwe Den Bosch. Je had me toen moeten zien, daar; alle afdelingen van het ziekenhuis heb ik wel gehad, iedereen heb ik mijn kind laten zien. Ik liep te fluoresceren van geluk. Als het licht was uitgevallen, had ik er als schijnsel gestaan met mijn kind.”