Dorry Langenberg

Dorry Langenberg

Dorry Langenberg (1951)

Locatie: Het Kruithuis
Ik vind het Kruithuis heel erg leuk om de sfeer. Ik vind hier een rustpunt. Ik hou van het oude karakter en de sfeer en het is dieper gelegen. Vroeger bouwden ze zo mooi. Zo zien je het nu niet meer. En ik heb hier vroeger een van mijn eerste balletlessen gehad, van Jeanne Assmann. Dus hier liggen de roots van mijn (professionele) leven. Ik heb verder weinig met de historie van het pand. Het is eigenlijk puur de sfeer en de beleving van het pand. En ik ga wel eens kijken naar exposities kijken. maar ik vind het gebouw niet heel erg toegankelijk. Ik ken de tuin die hier achter ligt ook goed. Die is zo oud en zo mooi, heel apart.”

% Feitelijke Bosschenaar: 0%
% Gevoels Bosschenaar: 99%

“Ik ben geboren in België. Ik ben West-Vlaamse. Met mijn ouders ben ik naar Den Bosch gekomen toen ik zes jaar was. We hebben even een uitstapje naar Rosmalen gemaakt, maar ik was al weer vlug terug in Den Bosch. Toen kreeg ik mijn vrijheid. In die tijd, de jaren zestig, ging het allemaal heel hard in Den Bosch. De tijd van hippie en provo, dat zag ik helemaal zitten. Geweldig vond ik dat. Maar mijn moeder, die dus Belgische was – met haar Belgische normen en waarden – jezus, dat ging helemaal niet goed. In die tijd ging ik naar de Bartjeskerk, daar waren van die missen met een pop-bandje. Daar mocht je dansen – en dans was natuurlijk altijd al mijn ding, dus ja, dat vond ik geweldig. En omdat mijn ouders dachten dat ik naar de kerk ging, was het goed. En ik ging natuurlijk ook naar de kerk, maar na de mis, gingen we naar het parochiehuis en daar mocht je bij elkaar komen. En dat was het wel voor mij hè, dat vond ik zo bijzonder.
En bij Dansinstituut Voeten. Toen wij uit België kwamen, gingen we daar naast wonen. Daar hadden ze een dochter van mijn leeftijd en daar heb ik het ook fantastisch mee gehad. Spelen in die danszaal, op de schoenen van Jeanne Assmann lopen, in die mooie jurken. Dus ik heb het wel met de paplepel ingegoten gekregen daar.
We woonden eerst aan de Boschveldweg, en dat vond ik toch een beetje uit de stad. Toen ik trouwde, ging ik op de Koningsweg wonen en dan moest ik altijd door de Uilenburg als ik de stad inging. En dat was in die tijd, begin jaren ’70, echt nog een heel oud en grauw stukje van de stad. Had ik daar toen maar een huisje gekocht, haha.

Door de jaren heen ben ik me echt een Bossche gaan voelen, maar wel met een gouden Vlaams randje. Dat is die 1 procent. Want ik voel daar ook nog steeds iets van en voor. En ik vind Vlaanderen en Brabant, ja, dat maakt allemaal niet zoveel uit. Maar de Belgische vind ik net iets subtieler, en dat zit toch ook wel in mij. Ik ga ook nog regelmatig terug naar mijn geboortestad, Blankenberge, en daar zie ik nog veel familie. En dan heb ik altijd even het gevoel van thuiskomen. Maar kom ik in Den Bosch, dan heb ik dat weer, hetzelfde gevoel van thuis.”

Wat is er mooi aan Den Bosch?
“Den Bosch heeft echt een ziel. Blankenberge is een toeristenstad, het heeft geen ziel. Hier hangt iets. Je wordt hier omarmd. In Den Bosch heb je eigenlijk wel voor alle soorten mensen een evenement. En als het dan niet mijn soort evenement is, dan ga ik toch. Dan ga ik kijken naar de mensen die erop af komen, want die vind ik ook leuk.

De combinatie van stad en Bossche Broek, die vind ik ook geweldig. Ik ben een ontzettende shop-fanaat. Ik doen niets liever dan shoppen. Maar op een gegeven moment is mijn geld op en dan doe ik niets liver dan het Bossche Broek in fietsen. Want wandelen vind ik niet leuk. Terwijl ik toch een danseres ben, maar wandelen, daar heb ik niks mee. En waar vind je die combinatie in Nederland. Dat is echt uniek aan Den Bosch. De Azijnfabriek en de Verkadefabriek, daar kom ik ook graag. En de markt. Daar haal ik graag mijn boodschappen.”

Wat is er lelijk?
“De Stationsweg vind ik gewoon niet mooi. Daar zitten teveel eettenten en dat gebouw van de rechtshulp, dat is echt lelijk. En dan te weten hoe het vroeger was, in mijn herinnering, toen was het echt een heel mooi plein en die laan met die bomen. Het station vind ik trouwens best aardig. Ik zie daar Prins Carnaval naar beneden komen van de roltrap op zondagochtend, dat vind ik echt geweldig. Verder weet ik het niet zo 1-2-3. Dus dat betekent dat ik eigenlijk best tevreden ben.

Oh, en het Theater aan de Parade. Da’s een lelijk ding. En daar hoeft dan voor mij ook niet zo’n supermodern gebouw met verspringende gevel enzo voor in de plaats te komen, maar gewoon een mooi functioneel gebouw. En dat moet dan vooral mensen trekken. Zodat er niet alleen oude mensen naartoe gaan. Dat moet meer gepromoot worden. Geef bijvoorbeeld de kinderen op de basisschool net zoveel dans als gymles.”

Wat heeft de stad jou te bieden?
“Variëteit. Ik vind altijd wel iets leuks. En als er een keer niks te doen is in de stad, dan vind ik het ook leuk. Dat vind ik die rust ook lekker. Ik vind het alleen wel jammer dat kleine evenementen vaak meteen zo groot moeten groeien. Maritiem bijvoorbeeld, dat vond ik zo lekker kleinschalig, maar dat moet dan ook zo groot. Dat krijgen ze niet voor elkaar in Den Bosch om dingen ook kleinschalig te houden. Het allemaal weer groot, groot, groot en dan haak ik op een gegeven moment af. Als ik massa zie, dan ben ik weg.”

Wat heb jij de stad te bieden?
“Ik heb denk ik wel duizenden leerlingen – kinderen vooral – mijn passie kunnen doorgeven. Het plezier zien en voelen van dansen. En het oog openen voor kunst. Naar het theater gaan. Dat soort dingen. Kunst verruimt je geest. De kunst is ook om je in kunst te uiten. Maar dat moet je leren. Dat gaat niet vanuit het niets lukken. Daar moet richting aan gegeven worden. En ik denk en hoop dat ik heb kunnen bijdragen aan het promoten van kunst in de stad, door het openen van de ogen van mijn leerlingen. Ik heb heel lang in Boschveld balletles gegeven aan allochtone kinderen, waarvan de ouders soms niet wisten wat ballet was. En dan hadden we een voorstelling in het Theater aan de Parade en dan kreeg ik de vraag: ‘Waar is dat?’ Die mensen hadden nog nooit een stap in zo’n gebouw gezet. En dat vind ik dan fijn, dat ik ze de ogen heb kunnen openen. Ook al komen ze er nog steeds niet vaak, ze weten wel dat kunst kunst is. Ik heb geprobeerd daar iets mee te doen en ik denk wel dat dat gelukt is.”

Wat kan Den Bosch nog van een andere stad leren?
“Antwerpen. Dat vind ik een heel vrije stad. Daar bloeien dingen op. Als je daar aan de kade tango wil gaan dansen, dan doe je dat gewoon. Dan hoef je niet eerst heel veel vergunningen aan te vragen. Maar daar kan dat gewoon. En in Den Bosch is alles gestructureerd en gebonden aan regeltjes. Maar Antwerpen is gewoon vrij. Dat heeft natuurlijk ook een keerzijde, maar toch. Dus een beetje meer Antwerps mag.”

En muziek en dans. Dat soort evenementen en activiteiten, die zijn er in Den Bosch te weinig. Waar ga je nou nog dansen in Den Bosch. Ja, vroeger had je de Boortoren. Daar had ik trouwens lang mijn balletstudio boven. Maar waar kan je nu nog dansen dan? En dan moet ik ook aan mijn leeftijd denken. Dat is er gewoon niet, hier. Ik kom wel eens in het Werkwarenhuis op de Tramkade. En dan hebben ze toch iets van ‘wat doet u hier, mevrouw?’, maar daar trek ik me niets van aan.”

Is Den Bosch een man of een vrouw?
“Een vrouw met veel gezichten. Opgemaakt. Kan heel mondain of een beetje dellerig zijn. Den Bosch kan alle kanten op. Dat vind ik wel leuk. En ja, zeker vrouwelijk. Dat zit hem in het flexibele.”

Heb je een herinnering aan een bijzondere ontmoeting?
“Met het Erasmusfestival was ik in de Sint Josephkerk, met Hans van Manen.. Ik werd daar ontvangen en toen mocht ik naast hem gaan zitten. En Hans van Manen is absoluut een van mijn voorbeelden. Ik van dat zo’n intrigerende man en zo getalenteerd en charismatisch. Dat was wel echt een bijzondere ontmoeting voor mij.”