Cees Bouwmans

L_000303-Edit
Cees Bouwmans (1934)
Ik was geen brugwachter. Ik was sluiswachter. De bruggen bij Sluis 0 kwamen er dus bij.

Locatie: De stacaravan van Cees met vlonder aan de Maas. Hij vaart nog af en toe met zijn bootje, maar: alleen is maar alleen.

Waarom staan we hier?
“Hier ben ik van het voorjaar tot oktober als de camping weer dichtgaat. Ik leverde mijn rijbewijs een paar jaar geleden in, dus naar Den Bosch gaan doe ik niet zomaar.”

% Feitelijke Bosschenaar 100%
% Gevoels Bosschenaar 100%

“Ik kom uit een boerengezin in Engelen, maar in Engelen was niks. We gingen altijd uit in Den Bosch: naar de bioscoop, dansen. Tegen het einde van de oorlog, ik was elf, werden we geëvacueerd: we moesten de polder in, zes maanden naar Helvoirt. De Duitsers lagen nog bij Treurenburg, Engelen was toen al bevrijd. Nu woon ik al 17 jaar in Den Bosch, maar in de zomers ben ik hier, op de camping.

Waarom ben je sluiswachter geworden?
“Ik werkte in de bouw, ik was een echte vakman. Ik deed LTS timmeren en bouwde aan echt mooie huizen, met van die bijzondere kapconstructies enzo. Mooi werk. Mijn vader werkte na zijn pensioen als invaller op Sluis Engelen. Uiteindelijk zei mijn vader dat Rijkswaterstaat een betere werkgever zou zijn, met een goed pensioen en veel zekerheid. De bouw werd steeds meer tariefwerk, steeds minder mooi werk, veel beton, maar ik zei tegen hem: “Bekijk het maar.” Toch had mijn vader zijn bazen gezegd dat ik wel wilde en toen kwamen ze aan huis. Het leek me maar saai, maar ik besloot om het toch te doen. Mijn baas in de bouw zei me dat hij hoopte dat het me niet zou lukken. Hij wilde me houden, dat mocht toen nog, maar tegen een werkgever als Rijkswaterstaat kon hij niet op.”

Hoe lang heb je als sluiswachter gewerkt?
“Van 1967 tot 1986, bijna 20 jaar. In 1986 kreeg ik een ongeluk toen ik overstak van het kantoor terug naar Sluis 0. Zes weken ziekenhuis: ik had zo ongeveer alles gebroken. Ik werd volledig afgekeurd en ik was pas 52. Op kantoor moesten we naar de WC en konden we belangrijke informatie doorbellen. En daar waren altijd twee mooie dames, dus dronken we ook meteen even koffie natuurlijk. De grote bazen vonden dat het geen dienstongeval was. “Eigen schuld,” had ik de ijsberichten maar op het huisje moeten doorbellen. “Laat het er maar bij,” zeiden ze, maar ik, maar ik was eigenwijs genoeg: het heeft me drie jaar gekost om gelijk te krijgen. Dat ging niet vanzelf. Ik zat jaren in de ondernemingsraad en daar zaten allemaal mannen die gestudeerd hadden. Ik werd daar echt opgenomen als gelijke, daar heb ik echt versteld van gestaan. Eerst hielp niemand, iedereen was bang, maar uiteindelijk kon een van hen het niet meer aanzien en die heeft me geholpen. Ik kreeg toch gelijk.”

Wat is mooi aan brugwachter zijn?
“Ik was eerste sluiswachter, ik houd van stress. In de bouw had ik geleerd met maten te werken en daardoor kon ik afstanden goed inschatten. Ik kon de sluis altijd goed indelen. Dat was mooi. Ik hield van die stress. Schippers zijn moeilijke mensen, er was doorlopend ruzie wie er het eerste in de sluis mocht, welke plek het beste was. Een sluis is oponthoud voor een schipper, wachten kost geld. Ik hield van die stress. “Cees lost alles op,” zeiden ze dan. Ook als ze te diep geladen waren: “Buurman (je noemde iedere schipper buurman) ge ligt behoorlijk aan de stijve kant,” zeiden we dan. Dan kwam de CHV met een wagen om een deel van de vracht te lossen. Ik kwam ook voor ze op: schippers zijn harde werkers. Op zondag mocht beroepsvaart niet door de sluis, pleziervaart werd wel afgeschut. Die hoefden niets te betalen en die schippers wel. Dat vond ik oneerlijk en daarom heb ik een ingezonden brief naar de krant gestuurd. Mijn baas vond het prima, maar ik kreeg ’s nachts ineens allemaal vreemde telefoontjes van mensen die hun naam niet noemden. Op een gegeven moment werd ik zelfs door een agent naar de sluis begeleid.”

Wat is minder mooi aan brugwachter zijn?
“De onrust onder brug- en sluiswachters. We moesten eigenlijk in een sluiswachterswoning bij de Anthoniebrug wonen, daar was altijd gedoe over: wie er aan de beurt was, wie er mocht wonen. Ik moest er eigenlijk ook wonen, omdat ik eerste sluiswachter geworden was, maar ik wilde niet. Ik had mijn eigen huis in Engelen gebouwd, veel beter. Het was eigenlijk altijd zo dat degene die het langste in dienst was, eerste sluiswachter werd. Omdat ik veel cursussen volgde, werd ik het eerder dan normaal. Dat viel niet bij iedereen in goede aarde. Dat ik in de ondernemingsraad zat, was ook niet altijd makkelijk, maar sluis- en brugwachters waren echt ondergewaardeerd bij Rijkswaterstaat. Ik heb me altijd voor ze ingezet. Zo kon ik toch wel een potje breken bij ze.”

Kun je je nog een bijzonder moment herinneren?
“Op een dag lag er een sjiek jacht voor de sluis, als eerste. Erachter beroepsvaart. Dat jacht wilde als eerste de sluis in, maar dat kon niet, dan kon ik de sluis niet goed indelen. Ik kon er natuurlijk geen binnenvaartschip naast leggen. Ik had het sein al op groen gezet, zodat de schippers zich klaar konden maken voor invaren, maar nog niet op dubbel groen. Dat jacht voer toch meteen naar de brug, want hij kon er gewoon onderdoor. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Ik roepen, sein op rood, dubbel rood, zelfs een derde rood, bedoeld voor echte noodsituaties, maar hij voer gewoon door. Lag hij doodleuk voorin de sluis. Ik er naartoe. Ik heb hem gezegd dat hij terug moest, maar hij wilde niet. Ik dreigde met stremming, uren wachten, boze schippers. Weet je wat hij zei? “Weet je wel wie ik ben?” Nee, zei ik en dat wil ik niet weten ook. Hij dreigde dat hij ervoor zou zorgen dat al mijn knopen (rangen) van mijn jasje zouden gaan. Tot op de dag van vandaag weet ik niet wie het was. Het was wel de aanleiding voor dat stuk in de krant.”

Als je mocht beslissen over een nieuwe bestemming voor de Zuid-Willemsvaart?
Met Cees zijn we niet aan een gesprek over een nieuwe bestemming toegekomen. Het verleden bracht te veel mooie, maar ook moeilijke momenten, naar boven. Als we een inschatting mogen maken, dan denken we dat Cees het heerlijk zou vinden om zijn verhalen te kunnen blijven vertellen, want één ding werd wel duidelijk uit het gesprek met Cees: bewoners, sluis- en brugwachters, de dames uit de Schilderstraat, iedereen kende elkaar en sprak elkaar. En lolletje was en is aan Cees wel besteed.