Antoinette van Uden

L_000309
Antoinette van Uden (1954)

Locatie: Dungense Brug

Waarom staan we hier?
“Ik woon hier verderop aan de dijk en toen ik nog voor de scheepvaartdienst werkte, kwam ik hier vaak langs.”

% feitelijk Bosschenaar: 80%
% gevoels Bosschenaar: 50%

“Ik ben in Den Bosch geboren op de Pelsingel. Mijn vader is ook in Den Bosch geboren maar mijn moeder niet. Toen ik tien jaar oud was heb ik de paardensport ontdekt. Ik ben lid geweest van maneges in Gestel en in Berlicum. Dus veel van mijn vrije tijd was ik buiten Den Bosch te vinden.
Ik woon nu al 22 jaar in Den Dungen. Hier zijn mijn kinderen naar school gegaan. Het is kleinschalig. Ik kende de mensen waar mijn kinderen speelden, ik wist waar ze waren. Dat is in Den Bosch niet zo vanzelfsprekend. Maar als ik door de oude delen van Den Bosch loop, komen er veel herinneringen boven aan mijn jeugd. Vandaar dat ik me toch 50% Bossche voel.”

Je werkte voor de scheepvaartdienst, wat hield dat in?
Ik heb de mulo, havo en een secretaresseopleiding gedaan en toen ik negentien was ben ik begonnen op het kantoor van de scheepvaartdienst Zuid-Willemsvaart. Dat was gevestigd in het Sluishuis tegenover Sluis 0. In het pand zit nu de NOS. Het was mijn eerste echte fulltimebaan. De taak van de scheepvaartdienst was het aansturen van de werking van sluizen en bruggen, wij waren de ‘natte’ dienst van Rijkswaterstaat. Ik heb er 7 jaar gewerkt, van 1973 tot en met 1980. Ik ben gestopt toen mijn oudste zoon is geboren. Er was destijds een regeling dat als je zeven jaar gewerkt had, je je pensioen kon afkopen. Dat was toen 12.000 gulden en een behoorlijk kapitaal. Maar je mocht daarna niet terug in dienst komen.”

“Ik had heel veel taken die ik moest uitvoeren. ‘s Morgens eerst een pot koffie zetten en daarna de waterstanden opnemen. Van het hele kanaal gaven ze de waterstanden op en die gaven ze aan mij door. Ik moest die dan weer doorbellen naar de dienstkring. Aan de hand van de waterstanden moest er wel of niet gespuid worden want anders zou het kanaal leeglopen. Ik herinner me nog een keer dat het water zo hoog stond dat er niet gespuid kon worden, het scheepvaartverkeer heeft toen een paar dagen stilgelegen. Da’s heel lang geleden.
En dan de telefoontjes voor vrije dagen, mensen die een roosterdag wilde verzetten. Op Sluis 0 was alle dagen dienst en mensen wilden wel een keertje een vrije dag. Dat moest dan aangevraagd worden.”

“Waar veel werk in ging zitten was stapels op A4 model die we per persoon moesten invullen, het waren 140 mensen van Engelen tot Nederweert, wat voor diensten ze draaiden: vroege dienst, late dienst, welke onregelmatigheidstoeslag ze hadden. Hoeveel ze hadden gewerkt en hoeveel ze moesten werken. Dat moest dan naar Den Haag gestuurd worden.
Ook moest ik brandstof bestellen voor alle objecten want die hadden allemaal een olietank. Ook niet één leverancier, nee, per dorp was er een leverancier!”

“Vergunningen uittypen. Eigenlijk mocht alleen de scheepvaartmeester vergunningen uitgeven voor boten breder dan 6,60 meter, langer dan 50 meter en een diepgang van 1,90 meter. Meer mocht niet. Maar het kwam zo vaak voor dat wij zelf de vergunningen uitgaven. Meestal ging dat goed. Het was weleens zo dat de boten dieper waren dan 1,90 meter, dan moesten ze achteruit Den Bosch uit naar Koudijs en daar werd de vracht overgeladen. En de processen-verbaal uittypen. Bijvoorbeeld voor het niet voeren van een heklicht of afmeren waar het niet mocht.Bij schadevaren moesten we rapporten maken. Geen kopieermachine maar het moest getypt worden in zevenvoud met allemaal carbonnetjes ertussen! Draai, draai, draai en dan maar hopen dat het goed ging. Ooh, dat was balenwerk!”

Als er werkzaamheden waren aan de sluis of aan de Zuid-Willemsvaart, dan moesten de fabrieken op de hoogte gesteld worden. De staalfabriek, de Campina, die moesten allemaal aangeschreven worden dat er tussen die dag en die dag werkzaamheden waren. Wat was die zin ook al weer? ‘Korter of langer als zo nodig’, dat was de geijkte zin. Dat moest allemaal rondgestuurd worden.
Alles was erg arbeidsintensief. Als ik iets wilde kopiëren of stencilen dan moest ik op zo’n stalen herenfiets naar het hoofdkantoor aan de Wolvenhoek. Daar was ook weer een aparte man die dat deed en dan moest ik daar zitten wachten totdat het klaar was en dan weer op mijn dienstfiets terug naar Sluis 0. Nou daar was ik dan de hele ochtend mee bezig.”

“Het kantoor fungeerde ook als koffiehuis. Normaal kreeg de sluiswachter koffie bij degene die bij de brug woonde, de eerste of tweede sluiswachter.  Maar op Sluis 0 zaten er vier mensen tegelijk en dan is het niet zo leuk wanneer je elke dag vier man over de vloer krijgt dus die kwamen bij ons koffie drinken. Er ging wel veel tijd in het praten zitten terwijl we door moesten met ons werk.”

Heb je nog bijzondere herinneringen?
Ik heb nog zoveel anekdotes van mijn tijd bij de scheepvaartdienst! Ik herinner me Cees Bouwmans nog goed en ook Jos van den Broek.Iedereen kende elkaar goed want de sluiswachters woonden in de huisjes bij Sluis 0. Behalve Cees, hij weigerde daar te gaan wonen want hij had een mooi huis in Engelen, zelf gebouwd.
De sluiswachters hadden naast hun werk allemaal nog een bijbaan. De een was schilder, de ander timmerman. Er werd veel bij elkaar geklust en de mannen werden ook door de hoge piefen ingezet om hun huis op te knappen. Niet zuiver, maar wel, ja, het kleurt het leven een beetje vind ik dan, die aparte dingen. Vooral in die eerste tijd was het, een heftige gemeenschap wil ik niet zeggen, maar….
Het stond ook in een cirkel hè? Hier het kantoor en de bruggen en daar de dienstwoningen. Dus je zag alles van elkaar en je hoorde alles van elkaar. “

“Het was niet altijd fijn dat de scheepvaartmeester boven het kantoor woonde want alles wat je vertelde, dat werd gehoord. En dat was weleens niet fijn, als je geintjes uithaalde ofzo.
Maar ik weet nog een leuke anekdote! De dochter van de scheepvaartmeester, ze was 12 ofzo, woonde dus boven het kantoor en zij had konijnen. Toen ze een keertje op vakantie gingen, vroegen ze aan ons of we voor de konijnen wilden zorgen. Cees Bouwmans en Friet van den Broek hebben er toen een rammetje bij gezet. We moesten het konijn wel veel water geven want het schijnt zo te zijn dat ze anders de kleintjes doodbijt. Dus wij elke keer water geven. Het meisje was al weer terug van vakantie en jawel, op een dag: “Oooooo, hij heb – ze kwamen uit Rotterdam- kleine konijntjes!” Ja, hoe zou dat nou komen? Er zal waarschijnlijk een wild konijn bij zijn geweest. Hahahaha. Dat soort dingen werd er allemaal uitgehaald.”

“Ik heb ook leren drinken bij Rijkswaterstaat! Kom je als grietje van 19 in zo’n cultuur terecht en de juffrouw moest mee langs het kanaal want de juffrouw moest alles opschrijven.  En toen kwam ik op sluis 3 en als de scheepvaartmeester langskwam, dan was dat toch wel hoog bezoek. Dan kwam de vrouw van de sluiswachter erbij zitten met koffie en een borrel. Wist ik veel!? Toen kreeg ik de vraag: “juffrouw, ook een citroentje?” “Ja, doe maar.” Bleek het citroenjenever te zijn en de hele tijd werd er bijgeschonken! En dat was Sluis 3, we moesten tot 13! In Helmond had je ook een scheepvaartmeester en die kwam uit Groningen. “Wilt de juffrouw een sterretje?” “Gelukkig” dacht ik “geen alcohol”. Maar dat was ook weer jenever! Maar dan uit Groningen! En na de bezoeken in de Lada weer terug naar Den Bosch terwijl de scheepvaartmeester eigenlijk niet meer kon rijden.”

De scheepvaartdienst is uiteindelijk opgeheven als gevolg van de automatisering.

Als je mocht beslissen over een nieuwe bestemming voor de Zuid-Willemsvaart?
Ik geloof dat het brugwachtershuisje dat bij de Dungense Brug heeft gestaan is verplaatst naar Berlicum Het zou namelijk gesloopt worden en toen is er een kunstenaars collectief  gekomen om het huisje te redden. Het huisje krijgt nu een nieuwe functie. Dus als de huisjes hier aan de Zuid-Willemsvaart hun functie verliezen en grotendeels leeg komen te staan, dan zouden ze de huisjes kunnen verplaatsen (als dat technisch mogelijk is) en zo een nieuwe functie geven. Dan zullen ze niet verpauperen maar krijgen ze een nieuwe leven.